Einde aan beperking vrije vestiging Detailhandel!

Eind januari vond er een uitspraak van het Europese Hof plaats, die verstrekkende gevolgen heeft voor lokale overheden. Ook voor Zaltbommel. Onderstaand opinie-artikel van het Financieel Dagblad gaat in op die gevolgen en is bijna verplichte leesvoer voor alle gewaardeerde (nieuwe) raadsleden in mijn prachtige gemeente! Het artikel is geschreven door Gijs Heutink, advocaat.

‘Gewone winkeliers mogen niet naar de stadsrand’ berichtte het FD op 1 februari naar aanleiding van de uitspraak van het Europese Hof van 30 januari waarin is bepaald dat de Dienstenrichtlijn ook van toepassing is op detailhandel.

Deze baanbrekende uitspraak zal gevolgen hebben voor het winkellandschap in Nederland. Gemeenten en provincies bemoeien zich met allerlei regels en besluiten vergaand met de vestiging van detailhandel. Door de uitspraak van het Hof wordt dat nu een stuk moeilijker. Het Hof heeft namelijk bepaald dat detailhandel een ‘dienst’ is en dus valt onder de werking van de Dienstenrichtlijn, én dat het voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn op detailhandel niet uitmaakt of er al dan niet een Europees — grensoverschrijdend — element in een zaak zit.

Dat is bijzonder. Allereerst omdat onze Raad van State tot nu toe altijd heeft geoordeeld dat detailhandel geen dienst is en de Dienstenrichtlijn dus niet van toepassing is op de beoordeling van bijvoorbeeld assortiments- of branchebeperkingen. Ook zou de Dienstenrichtlijn niet van toepassing kunnen zijn als alle aspecten van een zaak zich binnen Nederland afspelen. Er moeten grensoverschrijdende elementen zijn (dat wil zeggen betrokkenheid van andere Europese lidstaten). Op die manier zijn Unierecht en de Dienstenrichtlijn door de Raad van State buiten de deur gehouden, tot nu toe.

Het voornaamste gevolg van de Europese uitspraak is dat gemeenten en provincies die vrije vestiging van detailhandel willen beperken, nauwkeurig moeten aantonen dat die beperkingen evenredig zijn, doelmatig en noodzakelijk voor de bescherming van het stedelijk milieu.

Over deze verscherping van de motiveringseis moet niet te licht worden gedacht. Het zal in het bijzonder niet meevallen de ‘noodzaak’ en ‘evenredigheid’ aan te tonen van detailhandelsbeperkingen met economische effecten (neem bijvoorbeeld branche- en metragevoorschriften). De gemeentelijke of provinciale overheid komt er niet meer mee weg in de kantlijn uit te leggen dat zulke beperkingen in algemene zin helpen leegstand tegen te gaan of verkeersproblematiek op te lossen. Het Hof verlangt nu dat de overheid dat nauwkeurig aantoont. De overheid zal ook moeten aantonen dat die gevreesde leegstand door de detailhandelsbeperking effectief wordt voorkomen, en dat de maatregel evenredig is omdat het doel niet met een minder beperkende maatregel kan worden bereikt. Ga er maar aan staan: de ons zo bekende ‘vrije beslisruimte’ (de vrijheid van overheden om zonder noemenswaardige motivering regels te stellen) wordt met deze eis enorm verkleind.

Het Europese Hof gaat uit van een onvoorwaardelijk recht op vrije vestiging en vrij verkeer van diensten. In beginsel zijn alle beperkingen van die vrijheid verboden. De vrijheid is dus de regel en de beperking is de uitzondering. De overheid heeft wat uit te leggen als zij die uitzondering wil maken. Ons rechtsbestel heeft niet de vrije vestiging als regel, maar juist een stelsel van voorschriften en regels die een goede ruimtelijke ordening moeten dienen. Juist de beperking is dus de regel, en de toelating is de uitzondering. De uitspraak keert dit nu volledig om.

De kern is niet meer dat de overheid vanuit haar taak en haar recht om regels te stellen een detailhandelsbeperking toelicht, maar dat die overheid vanuit de het recht van de burger op vrije vestiging moet aantonen waarom een beperking van die vrijheid is gerechtvaardigd. De aangelegde maatstaf van artikel 15 lid 3 Dienstenrichtlijn is in ons rechtssysteem weliswaar niet onbekend, maar de bestuursrechter zal daar voortaan in elk concreet geval strak de hand aan moeten houden (en dat is in de praktijk lang niet altijd het geval).

Er is in afwachting van de uitspraak van het Hof door de Raad van State een keur van zaken in de wacht gezet. Die zaken moeten het komende half jaar stuk voor stuk aan de hand van de door het Hof geformuleerde criteria worden beoordeeld. Ons advocatenkantoor is bij een aantal van die zaken betrokken, en we hebben het standpunt dat nu door het Europese Hof is bevestigd, al jaren lang bepleit. We gaan zien hoe de Raad van State dat gaat doen. Het enige dat na de uitspraak van het Hof vastligt, is dat detailhandelsbeperkingen in al die aangehouden zaken (waaronder natuurlijk Appingedam) langs de Europese meetlat zullen worden beoordeeld. De lakmoesproef volgt dus nog.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.